
Siebrand
Martensz getekend in 1815 door zijn zoon Marten Martens
(thans in particulier bezit) en voorzien van het
volgende rijm:
Eenvoudigheid in Leer, in Wandel
en in Zeden
Dit kenmerk van den Man hier door ’t penseel vertoond;
Hij predikt Jezus Leer en
gaat met vaste schreden
Waar Waarheid hem geleidt en Deugd en Liefde woont.
Offer der kinderlijke liefde en Hoogachting.
M. Martens
Siebrand Martensz wordt op 11 Mei 1741 te
Leeuwarden geboren en is de jongste van 12 kinderen uit het huwelijk van
Marten Sybrens (meester grofsmid aan de
Wirdummerdijk te Leeuwarden) en Jitske Hendriks, dochter van Hendrik Klazes,
omstreeks 1725 leraar der Doopsgezinde Gemeente te Leeuwarden.
Samen met zijn 1 jaar oudere broer Hendrik, is Siebrand, waarschijnlijk door
toedoen van zijn grootvader Hendrik Klazes of Claasen, na het overlijden van
zijn vader, als zes jarige, op 2 januari 1747 opgenomen in het
Collegianten Weeshuis “De Oranjeappel” aan de Keizersgracht te Amsterdam.

Hendrik (nr. 99) en Sijbrand Martensz (nr.
100) in de naamlijst van het Weeshuis “De Oranjeappel”.
Dit weeshuis was gesticht door de
Rijnsburger Collegianten, die ondogmatisch waren en vrijheid van denken
voorstonden. Zij hielden buitenkerkelijke godsdienstige bijeenkomsten, Colleges
of Vergaderingen genoemd, waarin ieder, die zich daartoe geroepen voelde, kon
spreken. Het waren voornamelijk Doopsgezinden en Remonstranten, die deze
bijeenkomsten bijwoonden.
Het Oranjeappel Weeshuis kan als het beste van zijn tijd genoemd worden. Agatha
Deken, die een jaar na Siebrand in het weeshuis kwam, getuigt, in haar:“Geschrift
eener bejaarde vrouw” geschreven ter
gelegenheid van het eerste eeuwfeest van het weeshuis in 1775, over de goede en
degelijke opvoeding die zij hier als wezen kregen.
Op 21 Mei 1763 wordt Siebrand te Rijnsburg bij de collegianten gedoopt.
Waarschijnlijk door onderdompeling, zoals dat bij de collegianten gebruikelijk
was.
Siebrand bekwaamde zich in het beeldhouwen en we lezen in het Meesterboek van
het St. Lucasgilde te Amsterdam “Sybrand Martens heeft sijn beelthauwers
proef gedan syn burgercedul vertoont. Gedatteert den 7 Maart 1767. het Regt
voldaan. Amsterdam den 7 Maart 1767.”

Inschrijving
Siebrand Martens in Meesterboek van het St. Lucasgilde te Amsterdam.
Later zou Jan Swart (1754-1794), die in
1787 voor Felix Meritis, Keizersgracht 324, de gevelversiering, het borstbeeld
van Minerva boven het portaal van de gehoorzaal en de lessenaar heeft
uitgehouwen, net als de herdenkingsplaat van Pierre Teyler en het trappenhuis
in het Teyler Museum te Haarlem, vermelden dat hij les had van Siebrand
Martensz. Hij werd op 7 Mei 1774 ingeschreven als lid van het St Lucasgilde
nadat hij zijn “beeldhouwersproef” had afgelegd en zich meester beeldhouwer
mocht noemen.
In 1766 verlaat Siebrand, samen met zijn toekomstige echtgenote, het weeshuis.
Zijn broer Hendrik, die een opleiding tot timmerman had gekregen, verliet al in
1763 het weeshuis toen hij dienst nam bij de VOC. Later zou hij “op Batavia in de O. Indiën”
overlijden.
Op 29 April 1770 trouwt Siebrand met Elsje
Clazes Woudbeek, geboren te Enkhuizen op 25 Oktober 1741, die op 12 mei 1754
samen met haar zuster Hendrikje in het Oranjeappel Weeshuis was opgenomen. Ook
zij verlaat het weeshuis in 1766.

Hendrikje
(nr. 126) en Elsje Woudbeek (nr. 127) in de naamlijst van het Weeshuis “De
Oranjeappel”.
Aagje Deken staat in deze naamlijst bij nr. 117 genoteerd.
Elsje neemt van huis niet veel bijzonders
aan linnengoed mee; niet waard om afzonderlijk genoemd te worden.

Inschrijving
meegebrachte goederen van Elsje Woudbeek in het Oranjeappel weeshuis.
Zij ontvangt in 1766 als zij het weeshuis
verlaat en als “gedienstige” gaat werken op de “Primo May uijt het Huijs de
eerste Uijtzet linnengoed”. Dat hoofdzakelijk uit lijfgoed bestaat en “6
Guldens tot een kist”. Een jaar later krijgt zij haar tweede uitzet en die
bestaat uit “Een Rasdemorokke Swarte Japon en tot een kleurde Rok F 12
guld:”.
In dat jaar vervaardigt Elsje bovendien een prachtige merklap.

Merklap
van Elsje Woudbeek.
(particulier bezit)
In 1770 woont Siebrand in de Leidsestraat,
waar hij vermoedelijk zijn atelier heeft en Elsje aan de Bloemgracht, zoals uit de trouwafkondiging
blijkt. Elsje zal waarschijnlijk een “dienst” hebben gekregen bij een aanzienlijke
familie.

Ondertrouw
afkondiging van Siebrand Martensz en Elsje Woudbeek, waarbij Adriaan Klinkert,
die een jaar na Siebrand in het weeshuis was opgenomen voor hem getuige was.
Voor Elsje was dat
Frederik
Craamer, de echtgenoot van haar zuster Hendrikje.
De afkondiging van deze ondertrouw geschiedde niet in een wettige kerk, doch
aan de pui van het stadhuis.
Jan Wagenaar (1709-1773), bekend
historicus, was een trouw bezoeker van de collegianten bijeenkomsten in het
Weeshuis. Hij ging er geregeld voor en werd zowel godsdienstleraar als regent
van het weeshuis. Als zodanig heeft hij veel invloed op Siebrand’s geestelijke
ontwikkeling uitgeoefend. Siebrand kreeg van Wagenaar o.a. onderricht in
retoriek en welsprekendheid.
Siebrand’s zoon Marten schrijft in 1835 in
een van zijn geschriften naar aanleiding van Wagenaar en de collegianten het
volgende: “……wijlen mijn vader, na eenen geruimen tijd nevens anderen het
voortreffelijk onderwijs van voorn. onzen vaderlandschen Historieschrijver in
zaken van Godsdienst genoten te hebben, als medespreker onder de Collegianten
de laatste spreekbeurt heeft waargenomen.”
Uit het benadrukte woord “laatste” geeft Marten ook duidelijk aan
dat aan het eind van de 18de eeuw de collegianten beweging zijn
langste tijd heeft had. Deze laatste spreekbeurt in het weeshuis zal wel na het
overlijden van Jan Wagenaar, die zo’n prominente plaats bij de collegianten in
Amsterdam innam, hebben plaats gevonden. Dus na 1773. Door de tijdgeest en
misschien ook wel door het heengaan van Jan Wagenaar liepen deze bijeenkomsten
in Amsterdam ten einde. Op 27 mei 1787 wordt de laatste bijeenkomst van de
collegianten te Rijnsburg gehouden.
Siebrand Martensz bevalt het voorgaan in
deze diensten blijkbaar zo goed dat hij besluit zich in 1776 te Hallum (Frl)
bij de Doopsgezinde Gemeente te laten beroepen.

Beroepsbrief
van Siebrand Martens te Hinjum
Zo treedt hij in de voetsporen van zijn
grootvader Hendrik Claasen. Daarbij speelt ook een rol dat hij als beeldhouwer
niet genoeg werk heeft om zijn gezin te onderhouden. In Amsterdam namen de
bouwactiviteiten in de 18de eeuw sterk af. Bovendien veranderde de
architectuur zowel van de huizen als van de tuinen zodanig dat er bijna geen
opdrachten meer voor beeldhouwers waren. Jan Swart, leerling van Siebrand
Martensz, werd dan ook in 1794 van de armen begraven. Waarschijnlijk wordt
Siebrandt Martensz als beeldhouwer reeds financieel door de Collegianten Kas
ondersteund, want hij krijgt (ook) bij zijn aantreden in Hallum uit deze Kas
fl. 400,-- per jaar vanwege zijn bijzondere betrokkenheid bij het college. Het
bestuur van de Collegianten Kas besloot, toen zijn traktement in Hallum
verbeterde, de jaarlijkse bijdrage daarbij aan te passen, zodat Siebrand er tot
zijn groot ongenoegen niet op vooruit ging.
Zijn zoon Marten schrijft later op de kopie dat hij maakte van zijn vaders
“Intree-Rede”, gehouden op 27 Oktober 1776 te Hallum1:
“Sibrand Martens heeft zijne Theologische wetenschap met de daaraan
verknochte bekwaamheden, niet aan eenige Kweekschool of Academies of
Universiteiten verzameld, maar als Kwekeling der zoogenaamde Collegianten te
Amsterdam, ( op welker godsdienstige vergaderingen hij van tijd tot tijd eene
predikbeurt waarnam) door vroeg begonnen aanhoudend onderzoek en volstandigen
ijver en naarstigheid in de behartiging dier liefhebberij-studie vergaderd had.
Deze liefhebberij had zulke diepe wortelen geschoten, dat Sibrand Martens,
niettegenstaande hij zich als Beeldhouwer te Amsterdam gevestigd had, tot het
besluit kwam, om de Kunstbijtel met eenen Geestelijken Herderstaf te
verwisselen.”
Voordat Siebrand en Elsje Martens-Woudbeek naar Hallum verhuizen worden in
Amsterdam drie van hun kinderen geboren: zoon Marten op 21 maart 1773
(overleden te Holwerd op 17 februari 1852); dochter Trijntje op 20 oktober
1774, die reeds op 18 januari 1775 overlijdt en zoon Klaas op 11 november 1775
(overleden te Groningen op 23 september 1836).
In Hallum zien nog eens drie kinderen het levenslicht: zoon Hendrik op 20 april
1777 (overleden te Friedrichstadt a/d Eider op 1 januari 1846); zoon Symon op 8
april 1778, die 11 dagen later sterft en dochter Trijntje op 25 december 1779,
die op 2 april 1780, enkele maanden na haar geboorte, overlijdt.
Tot 1779 kerkt de Gemeente van Hallum te Hijum. In dat jaar is de bouw van de
nieuwe vermaning in Hallum gereed, waarin plaats was voor 50 mannen (banken) en
39 vrouwen (stoelen) en boven (op de Kraak) konden nog eens 26 mensen een
plaatsje vinden. Siebrand heeft deze vermaning ingewijd2,
die tot 1912 als zodanig dienst deed en nu als woonhuis gebruikt wordt.

De Vermaning te Hallum ± 1780. Getekend
door D.Galema in 1963.
Als in 1780 de Gemeenten Rijp, Graftdijk en
Graft-Noordeinde een samenwerkingsverband zijn aangegaan om naast Ds. Hartman
in de Rijp een tweede Leraar te beroepen valt hun keuze op Siebrand Martensz,
die echter meent dat het onmogelijk is het werk in eigen gemeente naar behoren
te doen als hij op twee andere plaatsen ook telkens geroepen kan worden en
neemt daarom dit beroep niet aan.
Nadat Graftdijk zich uit het samenwerkingsverband heeft teruggetrokken blijft
alleen de vacature voor het hulppredikantschap in de Rijp over en dan neemt
Siebrand Martensz het beroep aan. Hij heeft dan naast de bediening van
Graft-Noordeinde alleen de vrijbeurten van Hartman in de Rijp te vervullen.
In het voorjaar van 1782 vertelt Siebrand zijn gemeente in een “Afscheids-rede”3
: “Wij staan nu op ons vertrek naar het dorp Noord-Eind van Graft in
Noord-Holland daar ik beroepen ben tot hetzelfde werk, hetgeen ik bij deze
Gemeente nu vijf en een half jaar verrigte. Gewigtige redenen, merkelijke
verbetering van staat, omstandigheden en voordeelen voor hem en zijn huisgezin
hebben mij hiertoe doen besluiten “
Op 5 mei 1782 houdt Siebrand zijn “Intree-Rede te Noordeind van Graft en
Rijp” 4.
Hier in Graft-Noordeinde achtervolgt hem tegenspoed wat zijn
familieomstandigheden betreft. Zijn vrouw Elsje bevalt op 9 maart 1783 van een
dochter Trijntje. Elsje overlijdt twee maanden na de bevalling, op 10 mei 1783 “naar
een Borstziekte en dodelijke Koorts van 30 uuren” en wordt te Graft in de
kerk begraven. Kort daarna sterft op 19 februari 1784 ook het dochtertje
Trijntje, dat na het overlijden van haar moeder Elsje genoemd wordt. Zij wordt
in het graf van haar moeder bijgezet.

Kennisgeving
van het overlijden van Elsje Woudbeek door Siebrand Martens.
In dat zelfde jaar nog vertrekt Siebrand
met zijn drie overgebleven zonen, Marten, Klaas en Hendrik, respectievelijk 11,
8 en 7 jaar oud, naar het in Sleeswijk-Holstein gelegen “Hollandse” stadje
Friedrichstadt a/d Eider, dat in 1621 door Hertog Frederik III van Sleeswijk-Holstein
gesticht werd.. Naast de Remonstranten, die uit Holland gevlucht waren en de
aanzet tot de stichting van deze stad hadden gegeven, werden ook de
Doopsgezinden, net als andere godsdienstige groepen zoals de Joden en de
Quakers er als burgers toegelaten. Frederik had de Doopsgezinden
godsdienstvrijheid en vrijstelling van militaire dienst en de eed verleend.
De Doopsgezinde Gemeente in Fredrikstadt
had namelijk op 2 November 1783 een brief van de Doopsgezinde Gemeente van ’t
Lam en de Toren ontvangen waarin zij “aanbieden naar een of ander Leeraar
daar te Lande, hetzij die gestudeerd of door eigen oeffening bequaam geworden,
om te zien daar het wegens schaarsheid onmogelijk is eenen Proponent toe
te senden. Zo was het voor deze Gemeente mogelijk Siebrand Martensz te
beroepen.
In zijn “Afscheids-Rede”5
In Graft-Noordeinde vergelijkt Siebrand Martensz zijn vertrek met dat van
Paulus uit Ephezus. Uit zijn preek blijkt dat hij met een bedroefd hart
afscheid neemt van zijn gemeente en vaderland. Maar zegt ook zich in zekere
opzichten geroepen te voelen tot “ eene meer gewigtige en belangrijke
Leeraarsbediening dan tot nog toe, ook te dezer plaats, door mij is
waargenomen.”
Hij laat ook zijn eigen gevoelens spreken, waarbij hij duidelijk ook aan
het heengaan van zijn vrouw en kind denkt als hij zegt: “………als zij elkander
moeten verlaten! In de teedere oogenblikken van afscheidneming en
verwijdering hetzij door den dood, hetzij anderszins, welke ons allen
natuurlijk eens moeten gebeuren, ’t geen wel droevig schijnt voor degenen die
geen hope hebben, maar niet voor hen, die, zijnde op het allerzeerst verzekerd
in het Evangelie-verbond, elkander de hand van een Eeuwig Vaarwel met
blijdschap toereiken!”
Als hij aan het einde van zijn wel zeer lange afscheidspreek de Gemeente
toespreekt zegt hij: “Gemeente! Mijne toezegging naar elders is gedaan. Mijn
vertrek met de mijnen staat voor de deur. Eene zoo aanzienlijke verbetering van
jaarwedde, van standplaats en gelegenheid tot welvaren van mij en de mijnen,
als ook het genoegen eender ongelijk talrijker gemeente, als mij aangeboden
werd, kon noch durfde ik wederstaan, behoudens mijn eigen belang, dat hier den
voorrang moet hebben.”
Als Siebrand met zijn gezin in Friedrichstadt is aangekomen neemt hij zijn
intrek in de pastorie, gelegen naast de Vermaning, die achter en tegen de Munt
aan is gebouwd. Op 3 juli 1784 houdt hij zijn “Intree-Rede”6
die ook bewaard is gebleven.
Hij zet daarin uiteen dat het een mens eigen is zich voor te stellen welke
middelen hij kan aanwenden om het doel dat hij voor ogen heeft, te bereiken.
Dat daarbij het Evangelie leert, waarschuwt, verbetert, ondersteunt en
aanmoedigt. En stelt Apostel Paulus daarbij als voorbeeld.
|
Doopsgezinde
Vermaning te Friedrichstadt (achter tegen de Munt aangebouwd. |
Afrekening salaris
van Siebrand Martens te Friedrichstadt. |
Tot April 1816 zien
we in de boeken van de Doopsgezinde Gemeente te Friedrichstadt het handschrift
van Siebrand Martensz. Daarna zien we met een duidelijk ander handschrift de
vermelding van het overlijden van Siebrand Martensz, die dus tot zijn dood, op
9 april van het jaar 1816, deze gemeente trouw heeft gediend.
Twee en een half jaar na aankomst in
Friedrichstadt hertrouwt Siebrand Martensz op 29 januari 1787 met Elisabeth
Claassen, dochter van Hendrik Claassen, koperslager en winkelier te
Friedrichstadt. Dit huwelijk wordt “volgens concessie” thuis door Ds. Joan
Peters, Remonstrants Predikant, voltrokken. Uit dit huwelijk wordt op 20 juni
1789 een dochtertje, ook Elisabeth genaamd, geboren, zij sterft drie dagen
later. In 1805 zal Siebrand voor de tweede keer weduwnaar worden als Elisabeth
op 24 april van dat jaar overlijdt.
Zijn zonen gaan
naar de Hollandse school en Marten gaat daarna naar de Latijnse school om
vervolgens in 1791 naar Amsterdam te vertrekken.
Klaas wordt meester
koekenbakker en gaat naar de stad Groningen, waar hij op 2 juni 1809 met
Engeltje Sicces Zuiderhoek trouwt. Zij krijgen een zoon Siebrand, die later met
zijn nichtje Elsje Elisabeth, dochter van zijn oom Marten, zal trouwen. Hendrik
wordt blauwverver, koopman en daarna boekhouder van de Koninklijk geprivilegieerde
Bank van Lening te Friedrichstadt en blijft dus als enige zoon in
Friedrichstadt wonen. Hendrik trouwt eerst met Cornelia van Deuren (27juli
1805) en later, als Cornelia in 1809 gestorven is, met Dorothea Catharina
Hardings bij wie hij drie kinderen krijgt: een zoon Sebrand Hermann en twee
dochters Dorothea en Cornelia.
Siebrand Martensz
blijft dus in april 1805 alleen in de pastorie achter als zijn vrouw sterft en
zijn enige in Friedrichstadt wonende zoon trouwt. In 1806 krijgt zijn
schoondochter daar een dochter die ook Elsje Elisabeth genoemd wordt.
In de zomer van 1810 reist Siebrand
Martensz voor de laatste en misschien wel enige keer van uit Friedrichstadt
naar Friesland en Groningen om daar zijn kinderen en kleinkinderen te bezoeken.
Bij welke gelegenheid zijn zoon Marten “een berigt uit den mond zijnen Vader
Sibrand Martens aangaande zijne afkomst” optekent dat hij pas in december
1815 uitwerkt. Ook heeft Marten tijdens dat bezoek een schets voor een
schaduwtekening van zijn vader gemaakt dat hij eveneens pas in 1815 uitwerkt.
Zie afbeelding.
Siebrand Martensz overlijdt “na eene ziekte van circa veertien dagen,
in den ouderdom van vier en zeventig jaren en elf maanden te Fredrikstad (na
den prediktdienst tot aan het einde van zijn leven te hebben waargenomen)
overleden en aldaar, op Paasch-Dinsdag
van voorn. Jare op het kerkhof der Doopsgezinden7
begraven”.
- Genealogie
van Sibrand Pieter Brouwer Martens
1
Als tekst van zijn
Intree-Rede kiest Sibrand Martens: II Tim: II. 1,2.
Na een theologische uiteenzetting gaat hij in de
Toepassing uitvoerig in op:
Als hij deze punten uitgewerkt heeft spreekt hij
liefst 12 maal uit. Zo hoop ik ….
Daarbij noemt hij op wat zijn (goede) voornemens voor het uitoefenen van het ambt zijn.
2
De tekst luidde: Joan: II. Vs 17, laatste lid. “De ijver Uwes
huizes heeft mij verslonden”.
Hij ziet als voornaamste punten dat:
Na de theologische uiteenzettingen van deze punten gaat hij in de Toepassingen in op het gebruik van dit nieuwe Godshuis. De Grietman van de Grietenij wordt uitvoerig bedankt dat hij toestemming tot de bouw van de Vermaning heeft gegeven.
3
De tekst luidde: Hebr:
III vs 12. “Ziet toe, broeders, dat niet
te eeniger tijd in iemand van U zij een boos en ongeloovig harte, om af te
wijken van den levende God!” Uitvoerig gaat hij op de volgende drie punten in:
zij eischen, dat wij acht geven
Na de theologische uiteenzettingen volgt de
Toepassing. Daarin noemt hij hoe de lessen van hem met daden zijn bekrachtigd
en hoe de Gemeente met vlijt en liefdegaven een nieuw gebouw ter
Godsdienstoefening wist te verkrijgen.
Ten slotte bedankt hij de Gemeente. De preek besluit hij met een zeer uitvoerige zegenwens.
4 De tekst luidde: Jak: I vs 21. “Ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt, ’t welk uwe zielen kan zalig maken.” Als hoofdzaken geeft hij aan:
1. op het woord, daar Jakobus hier van spreekt, onder de benaming van het woord dat ingeplant wordt
3. op den pligt, dien hij omtrent dit woord vereischt, die is, hetzelve met zachtmoedigheid te ontvangen
4. en eindelijk de beweegredenen daartoe, als zijnde een woord, ’t geen die zielen kan zalig maken.
Na de uitwerking van deze punten volgt de Toepassingen. Daarna spreekt hij de hoop uit het woord Gods te preken en dat in de gemeente te planten. Een bijzonder woord gaat ten slotte uit naar collega P.Hartman uit De Rijp met wie hij nauw moet samenwerken.
5 De tekst luidde: Joan: XVII vs 8. “De woorden, die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven en zij hebben ze ontvangen”. Als hoofdzaken geeft hij hier aan:
1. het gewigt en de noodzakelijkheid eener goddelijke openbaring, of wel de woorden van God aan Christus tot heil der menschen gegeven en wie er de geschikte voorwerpen van zijn. Zoo zegt de Hij hier: “De woorden, enz…..”
2. wat onze Heer deswege in de dienst des Allerhoogsten aan zijne Apostelen en verdere Discipelen gedaan en vervolgt heeft: “Hij heeft ze hun gegeven”.
3. de heilrijke uitwerkingen en gevolgen daarvan bij hen voortgebracht: “Zij hebben ze ontvangen” en
4. eindelijk hoedanig het te dezen aanzien bij de Christenen en het vervolg van tijd gegaan en nog verder betamelijk is, en moet geoefend worden om dit alles aldus, naar tijdsomstandigheid, toepasselijk en met dankbetuigingen en zegenwenschen te besluiten.
6 De tekst luidde: 2 Tim. IV vs 2: “Predikt het woord” met als vier hoofdzaken:
1. het heil en oogmerk der Goddelijke openbaringen, bijzonder die des Evangelies.
2. hoedanig daaraan door Christus en zijne onmiddellijke gezanten beantwoord en voldaan is.
3. wat, sedert hunne zending is opgehouden, den mensch desaangaande is overgebleven, en hem verder te doen en te verrigten staat.
4. de Toepassing daarop bij gelegenheid van het dadelijk aanvaarden van het predikambt in eene Christen-Gemeente.
7 Dit kerkhof bevindt zich achter de Doopsgezinde Kerk annex Munt, waar Siebrand naast zijn vrouw Elisabeth Claassen in de ZW-hoek is begraven. (De grafnummers 39 en 38)